Gesteunde projecten

Ontwikkeling van een ex-vivo biofilm model voor een beter behandeling van Pseudomonas

(€ 100.000)

o.l.v. Pieter Deschaght, een jonge Gentse onderzoeker, samen met medewerkers van de Gentse en Brusselse universiteiten ( ULB en VUB)

Taai slijm in de luchtwegen van mucopatiënten zorgt ervoor dat ze extra vatbaar zijn voor bacteriële infecties. Er kunnen verschillende soorten bacteriën de luchtwegen infecteren, maar bij de grootste groep van patiënten met een longinfectie wordt Pseudomonas aeruginosa gevonden. Eén van de redenen waarom P. aeruginosa zo frequent is, is dat hij in staat is zich aan te passen aan verschillende omstandigheden. Daarenboven kunnen deze bacteriën zich ook nog inkapselen in een extra beschermlaag, in de microbiologie beter gekend als een biofilm. In deze biofilm zijn de bacteriën beter beschermd tegen aanvallen van het immuunsysteem en ook tegen antibiotica. Bovendien gaat een groot deel van deze biofilm-bacteriën in een slaap-status, waardoor ze nog minder gevoelig worden aan antibiotica en ze ook weinig energie verbruiken.

Om de groei van bacteriën in de luchtwegen tegen te gaan, worden de mucopatiënten op regelmatige basis behandeld met verschillende antibiotica. Tijdens deze behandeling bemerken we wel een daling van het aantal P. aeruginosa-bacteriën in de luchtwegen, maar geen complete eradicatie (uitroeiing) van de bacteriën. Er moet dus op zoek gegaan worden naar een sterker product, waarmee we alle P. aeruginosa bacteriën in de luchtwegen kunnen doden, zodat deze vrij zijn van bacteriën.

Bijna dagelijks verschijnen er wetenschappelijke publicaties waarin men de antibacteriële werking van een stof probeert aan te tonen. Het probleem met deze studies is echter dat de effectiviteit van de stoffen op niet realistische manier getest worden. De effectiviteit wordt vaak getest op planktonische/losse bacteriën met een hoge activiteit of op biofilm-geassocieerde bacteriën. Maar ook dit is niet representatief, aangezien het de situatie van in de patiënt niet correct nabootst: er is geen mucus van de patiënt, er zijn geen immuunfactoren van de patiënt en ook de bacteriën zijn in een andere vorm (meer actief) aanwezig. Om dergelijke stoffen op een realistische manier te testen, hebben we het idee aangevat om anti-Pseudomonas stoffen rechtstreeks op het opgehoeste sputum van de patiënten te testen (het zogenaamde 'ex-vivo sputummodel'). Op die manier kunnen we ook patiënt-specifiek de effectiviteit van de medicatie testen.

In dit project is het de bedoeling om het ex-vivo sputum model te valideren, d.w.z. na te gaan of het bruikbaar is voor de voorspelling van de werking van een anti-Pseudomonas stof. Hierbij zullen we het effect van de behandeling in de patiënt (tijdens opname) vergelijken met het effect van dezelfde behandeling op het sputum. Daarnaast zal ook reeds gestart worden met het testen van nieuwe anti-Pseudomonas stoffen op het ex-vivo sputummodel.

Dit project moet uiteindelijk leiden tot de ontwikkeling van een betrouwbaar model met een hoge voorspelbaarheid voor het testen van nieuwe stoffen en ook tot de effectieve ontdekking van nieuwe anti-Pseudomonas stoffen.

 

Multicentrumstudie rond het voorkomen van de verschillende vormen van Staphylococcus aureus in België

(€ 100.000)

Onder leiding van Eef Vanderhelst (UZ Brussel) in samenwerking met medewerkers van de VUB, ULB, Ugent en het Zeepreventorium

Door de vooruitgang in de zorg voor mucopatiënten neemt de levensverwachting elk jaar toe. Hiermee samenhangend zien wij ook een toename van patiënten met nieuwe, meer resistente kiemen (zoals MRSA) waarvan de ontwikkeling, verspreiding en impact op de evolutie van de ziekte nog niet volledig gekend is.

Heel veel mucopatiënten zijn drager van een Staphylococcus aureus bacterie; een gedeelte hiervan kan ook gekoloniseerd worden met de meer resistente vorm (MRSA) van deze kiem.

Door deze kiemen moleculair te gaan typeren, kunnen we ze indelen in verschillende stammen. Zo kunnen we meer leren over de verspreiding ervan, wat ons zal helpen in het opstellen van preventieve maatregelen om verdere besmettingen te voorkomen.

We zullen door de typering ook de meer virulente, dus meer schadelijke vormen, van Staphyloccus aureus kunnen identificeren. De patiënten met deze kiemen zullen in aanmerking komen voor een eradicatiekuur (uitroeiing), waarbij we de kolonisatie proberen tegen te gaan.

 

Voorspellen van het verloop van de longziekte met de Long Clearance Index (LCI)

(€ 100.000)

De Belgische vereniging steunt ook een nieuw onderzoek van de universiteiten van Leuven en UCL Brussel onder leiding van Prof. K. De Boeck (KUL) en Prof. P. Lebecque (UCL) waarbij de LCI gemeten en opgevolgd zal worden gedurende 2 jaar bij een grote groep patiënten.

Longfunctie is een van de belangrijkste maten om de gezondheidstoestand van mensen met muco na te gaan. De huidige klassieke longfunctietesten, die o.m. de één-seconde-waarde (FEV1) meten, volstaan steeds minder om de subtiele veranderingen in de luchtwegen op te sporen bij kinderen en jongeren met muco. Dankzij de steeds doeltreffender therapieën gaat de longfunctie steeds minder snel achteruit. Dat is natuurlijk goed nieuws, maar het betekent ook dat we fijnere technieken nodig hebben. Enerzijds om de ontwikkeling van de ziekte goed in de gaten te kunnen houden, ook als die heel geleidelijk gebeurt, zodat we bij het minste verschil kunnen optreden en longaantasting maximaal kunnen voorkomen. Anderzijds hebben we fijnere technieken nodig om de resultaten van studies met nieuwe medicatie goed te kunnen meten. Je moet immers kunnen bewijzen dat een nieuw middel een voldoende effect heeft om dit verder te ontwikkelen en op de markt te brengen.

Een van de meest beloftevolle testen op dit vlak is de LUNG CLEARANCE INDEX (LCI). Hierbij wordt aan de patiënt gevraagd om een bepaald gas (bv zuurstof) in te ademen, waarna gemeten wordt welk volume moet in en uitgeademd worden tot de long helemaal is ingewassen met zuurstof. We kennen de normale waarden voor deze test. Indien een groter volume dan normaal moet ingeademd worden, is dit een teken van afwijkingen (meestal verstoppingen) ter hoogte van de kleine perifere luchtwegen. Maar we moeten nog veel te weten komen over deze techniek. Zo wil men bijvoorbeeld onderzoeken in hoeverre de LCI-resultaten een aanwijzing geven voor de ontwikkeling van de longziekte op langere termijn. Dergelijk onderzoek is ook belangrijk opdat de resultaten van de LCI-testen aanvaard zouden worden door overheden die nieuwe medicatie moeten goedkeuren.